Tekst: Terugkeer naar Vlissingen
TERUGKEER NAAR VLISSINGEN
Zeven jaar eerder was ik hier vertrokken.
Een 17-jarig ventje met twee grote koffers, gevuld met kraaknieuwe uniformen, wat boeken, een paar muziekcassettes en een splinternieuwe soundblaster. Mijn eerste opdracht als leerling stuurman. Ik reisde samen met Ben, mijn maatje vanaf de eerste dag op de Zeevaart school. Ben was leerling werktuigkundige, ondanks dat waren we onafscheidelijk. Op school hadden ze het steeds over Tamil en Blondie. Ben kwam uit een Hindoestaans-Surinaamse familie. Eenmaal aan boord was het al binnen een uur Sjors en Sjimmie.
Zeven jaar later kwam Sjors alleen terug.
Geestelijk diep gewond en lichamelijk beschadigd. Wantrouwig en op z'n hoede. Immens verlangend naar een thuis en geen plek om naar toe te gaan. Nederland was ondertussen een soort buitenland geworden.
Vaag suggereert de morgenkilte de komst van een warme zomerdag, wanneer ik in alle vroegte uit de trein stap. De onverwachte frisheid zet alle haartjes op mijn armen overeind. Een rilling die ergens diep in mijn ingewanden is begonnen trekt een sprintje naar mijn nekvel. Als in een reflex trek ik mijn kraag overeind. Even verbaasd als de vermoeide treinconducteur neem ik de voorbijtrekkende stoet vroege badgasten op. Fel gekleurde broeken en shirtjes haasten zich op klepperende slippers naar de uitgang van het station. Onderweg worden blonde schreeuwkindertjes aan onwillige dunne armpjes meegetrokken naar het lokkende zon, zee en strandparadijs. De kinderen lijken het uiteindelijk te geloven en lopen morrend en trekkebekkend achter met strandstoeltjes en koelboxen beladen vadertypes aan. Fel geblondeerde , te magere en te bruine vrouwen in minirokken die jeugdiger doen lijken dan de op koopjes toegespitste ogen verraden, overzien nog eenmaal het strijdtoneel op het al grotendeels verlaten perron. Met een menthol filtersigaretje op de lip nemen ze kordaat de leiding op zich en jagen het rumoerige gezelschap als lemmingen naar de zee.
De stilte keert weer. Ik gooi mijn plunjebaal over mijn schouder. Het gezicht van de conducteur straalt lusteloos de gedachte aan koffie uit terwijl hij mij vaagjes toeknikt. Het zout in de lucht en de hartverscheurende kreet van een zeemeeuw doen me beseffen, Ik ben thuis.
Thuis? Nou ja, bekend terrein.
In Hong Kong ben ik op het vliegtuig naar Londen gestapt. Nogal onverwacht. Ineens stond de vertegenwoordiger van de Maatschappij voor mijn neus, zwaaiend met een ticket. Er waren wat problemen met vroegere Douane verklaringen en ze wilden me uit de weg hebben. Het was dringend, ik moest weg, uit het zicht van de haven autoriteiten. Ik greep mijn kans. Ik had net tijd om al mijn spullen in een koffer en een plunjebaal te proppen. Ik sloot het logboek af, legde mijn pistool in de scheepskluis. De kapitein was te zat om me te woord te staan. Mijn wachtsman en de bootsman keken geschokt op dat ik op stel en sprong vertrok. Maar ik heb in ieder geval deze twee nog fatsoenlijk gedag kunnen zeggen. Ik werd door de vertegenwoordiger van de Maatschappij in een taxi geduwd, mijn bagage werd naast me gepropt en weg waren we. Ik had nog net de tijd gekregen om mijn tropen uniform te verruilen voor mijn Marine blauwe uniform. In vol ornaat stond ik voor de desk van British Airways. Ik werd meteen uit de wachtrij gehaald en naar de VIP lounge gebracht. De Maatschappij had een Business Class ticket voor me geregeld. Na twee whisky's werd de "Commander" opgehaald en naar het vliegtuig geëscorteerd door een vriendelijke stewardess. We liepen langs de lange wachtrij en ik werd geïnstalleerd in mijn stoel. Ik viel in slaap. Na meer dan 24 uur in touw geweest te zijn was dat niet zo gek natuurlijk. Het opstijgen wekte me. De stewardess had in de gaten dat ik totaal gedesoriënteerd was en kwam naast me zitten. Ze vertelde me heel rustig dat ik op een vlucht naar Londen zat. Ze zag dat ik weer wist waar ik was en dat ik weer terug in de realiteit was. Het grootste deel van de vlucht heb ik geslapen. Maar elke keer als ik wakker was stond ze daar, de ene keer met een drankje, de andere keer met iets te eten. Elke keer kwam ze even naast me zitten om even te babbelen. Het was een lange dag geweest, gevolgd door een lange vlucht, maar de stewardess heeft me daardoorheen geholpen. Eenmaal aangekomen in Londen werd ik begeleid naar de desk waar ik kon overboeken naar Amsterdam.
Ik werd door een grond-steward begeleid naar de KLM desk, mijn ticket werd doorgeboekt naar Amsterdam en ik mocht plaatsnemen in de Viplounge. Alle tafeltjes waren bezet, de meeste met vijf of zes personen, op één na. Daar zaten twee maatpakken wijdbeens het hele tafeltje in beslag te nemen. Ik liep daar recht op af, ik had mijn getergde stuurman gezicht opgezet, en schoof één van de beschikbare stoeltjes onder de voeten van het maatpak uit en ging zitten. "Kunt u niet zien dat deze stoel bezet is" riep het verontwaardigde maatpak nadat hij mij van boven tot onder bekeken had. Ik raakte geïrriteerd door zijn verontwaardiging. Ik wees naar de vloer. "Plek zat om je voeten neer te zetten, of niet? En kijk eens om je heen. Bijna geen plek voor mensen om te zitten. Stoelen zijn voor mensen, en de vloer voor voeten, bedankt voor uw medewerking". Het maatpak keek op naar een, hem onbekend, uniform gedragen door een vent met de pet scheef op z'n bruinverbrande kop met lang, bijna wit, blond haar en met z'n zeelaarzen nog aan. Hij schikte, met overdreven tegenzin, een beetje in.
Op dat moment kwam een KLM stewardess recht op me af lopen. "Commander van Eck? " vroeg ze, mij strak aankijkend. Ik knikte. "U bent overgeboekt naar de eerste klas" en ze overhandigde me de papieren. Het grappige is, in het Engels is de term Commander voor twee betekenissen vatbaar. De eerste is gewoon bevelvoerend officier, het is echter ook de aanspreektitel voor iemand die door de Koningin geridderd is. Kennelijk was er een kleine spraakverwarring tussen KLM en British Airways. De maatpakken raakten zichtbaar overstuur maar probeerden toch een gesprek aan te knopen om hun eerdere onbeschofte houding te rectificeren. Net zoals zij bij mij gedaan hadden, bekeek ik ze van top tot teen om me vervolgens af te draaien en totaal te negeren. Ik begon een gesprekje met de dame naast me.
Het was best wel een mooie dame. Ver in de veertig, strak mantelpakje. Mooie benen en een diep decolleté. Ze had een vosje om haar schouders en een keffertje op haar schoot. Elke keer als ik haar een vraag stelde begon het hondje te keffen en dan stak zij er een chocolaatje in. Als zij mij iets vroeg zat het beestje naar mij te hijgen, tot ik antwoordde en hij begon te keffen. Hup, weer een chocolaatje erin. Evengoed hadden we best een leuk gesprek, ze leek best gecharmeerd door de ietwat ruwe zeebonk. Totdat ik haar vroeg of het bontje om haar nek haar vorige hondje was en of hij was overleden aan cacao vergiftiging. Ze draaide zich af, ik hoorde de maatpakken gniffelen. Het was duidelijk dat ik niet paste in dit soort kringen.
De stewardess kwam voor "Commander van Eck" ik volgde haar naar het vliegtuig, met mijn handen in mijn zakken, want ik had geen handbagage. Ik werd voorgesteld aan de piloot en mocht een kijkje nemen in de cockpit. We praatten wat over navigatie en weersomstandigheden. Ik nam plaats in mijn eerste klas zetel. Even later kwamen de maatpakken en het mantelpakje binnen. Wederzijds negeren. Een uurtje later waren we geland op Schiphol. Met alle egards werd ik naar de uitgang begeleid. Vanaf dat moment was het "Commander" af. Ik had geen handbagage en kon meteen door naar de bagageband. Ik pakte mijn koffer en plunjebaal en liep naar de uitgang.
Ik kwam aan bij de Douane. Liet mijn paspoort zien. De beambte bleef bladeren. Heeft u iets aan te geven ? Ja zei ik, ik heb een verzegelde doos met honderd sigaren bij me. U mag er maar vijftig importeren zei de douanier. Hij keek nog eens door mijn paspoort. U heeft in de afgelopen zes jaar geen enkel Europees land aangedaan. Ik ben in die tijd alleen in de "Oost" geweest vertelde ik hem. Waar komen die sigaren vandaan vroeg hij. Ik vertelde hem dat ze van de Molukken kwamen en dat ik speciaal op zoek naar dit soort was geweest om ze te geven aan een Molukse vriend van mijn opa.
Hij vroeg me mijn koffer te openen, en ik pakte het verzegelde pakket met de sigaren eruit. Hij pakte het pakket en woog het in zijn handen. Weet je, stuurman, zei hij, ik heb mijn halve leven als douanebeambte gediend in Nederlands Indië en ik kan je vertellen dat dit geen honderd sigaren zijn maar hooguit vijftig. Hij knipoogde naar me en zei breng ze naar de vriend van je Opa, hij zal er blij mee zijn. Volgende!
Een beetje verbouwereerd pakte ik alles weer in. Omdat het fris was in Nederland pakte ik wel mijn regenjas uit mijn plunjebaal. Ik trok hem aan en ging naar de taxistandplaats. Ik werd afgezet bij het Centraal Station Amsterdam. Daar aangekomen moest ik beslissen waarheen. Utrecht, naar mijn ouders en een kamer delen met mijn broertje, die daar ook niet op zat te wachten, of naar Vlissingen, naar mijn grootouders die ook geen ruimte hadden?
Van "Commander" naar thuisloos zonder enige overgang.
Ik was in Amsterdam in de dichtstbijzijnde coupe gestapt. Helemaal achterin de trein. In Vlissingen resulteerde dat erin dat ik het hele perron moest aflopen voor ik bij de uitgang was.
Het vakantievolk had het perron verlaten. Ik zette mijn plunjebaal en koffer neer. Zittend op mijn plunjebaal zat ik te overpeinzen wat ik zou doen nu ik eenmaal in Vlissingen was aangekomen. Daar had ik nog niet over nagedacht, mijn enige gedachte was geweest: naar huis! Maar ik had geen huis of thuis.
Ik zat daar halverwege het lege perron op mijn plunjebaal, mijn pet op mijn koffer, ik stak een sigaretje op. Vanuit de entree naar het perron kwamen twee geüniformeerde jonge mannen op mij toelopen. Ik zat rustig in het ochtendzonnetje mijn Davidoff sigaretje te paffen en besteedde geen aandacht aan de twee Adelborsten. Ze liepen mij voorbij. Totdat een van de twee zich omkeerde en me toesnauwde "Zou je je meerdere niet groeten, matroos?" Ik keek verstoord op. "Waarom groet je mij niet, als je denkt me te kennen", vroeg ik hem. "Ik ken jou helemaal niet! En jij hoort je meerdere te groeten", snauwde het manneke.
In die tijd hadden we nog een leger gebaseerd op dienstplichtigen en sommige beroepsmilitairen vonden het nodig om hun "ondergeschikten" ook buiten diensttijd af te zeiken en op rapport te slingeren.
"Flikker toch op joh, flapdrol", voegde ik het manneke toe. Dat deed kennelijk zeer, hij flipte helemaal. "Opstaan, en groeten", schreeuwde hij me toe. "En zo niet, wat ga je dan doen", vroeg ik hem? "Buiten het station staat de MP dan leg je het maar uit aan hen, dan krijg je een aantekening op je conduitestaat en dat kan vergaande gevolgen hebben", riep het mannetje.
Ik nam nog een trekje van mijn Davidoff sigaretje, "Okay pik, haal die gasten maar." Ik stond langzaam op. Op mijn gemakje deed ik mijn regenjas af. Toen ik mijn regenjas afdeed werd mijn uniform zichtbaar. Eerst mijn epauletten daarna mijn mouwen met de strepen die bij mijn rang hoorden. Het mannetje veranderde van kleur. Nog nooit iemand gezien die zo wit werd. Ik keek hem even aan, vanuit mijn ooghoek zag ik zijn maatje aankomen met de MP. Toen de MP en zijn maatje vlakbij waren brulde ik "In de houding", hij deed het. Zijn maat en de MP keken in verwarring toe. "Jij ook!" snauwde ik naar zijn maat. Ook hij voldeed aan de opdracht.
Als de mannetjes even goed hadden gekeken hadden ze gezien dat ik geen Marine uniform aanhad maar een Koopvaardij uniform. Ook de MP had dat niet direct door. "Wat is het probleem?" vroeg één van de Mp's.
Ik vertelde hem dat het mannetje recht voor mij aangifte wilde doen van het intimideren van een burger en het bijbehorende onbeschofte gedrag. Ik beschreef hem het voorval en dat ik geen dienstplichtige was maar een Koopvaardij officier en dus een burger. Het mannetje wilde dat dus niet en voelde zich in een hoek gedrukt. De twee adelborsten werden meegenomen door de MP.
Het perron was weer leeg. Van Commander naar burger in nul seconden. Waar nu heen? Ik sleepte mijn bagage naar de uitgang om daar tot de ontdekking te komen dat de taxi standplaats leeg was. Ik plantte mijn bagage op de standplaats en liep naar de telefooncel. Op dat moment kwam er net een taxi aanrijden. Een oude vermoeide chauffeur stapte uit. Hij keek me verwijtend aan en zei dat hij net wilde gaan lunchen. Lichtelijk opgefokt zei ik hem mijn bagage in te laden om daarna samen te lunchen op mijn kosten. Hij klaarde zichtbaar op. Mijn bagage ging in de kofferbak en we gingen samen de Stationsrestauratie in.
De taxichauffeur bestelde een broodje bal. Iets waar ik tot dan toe nog nooit van had gehoord. Ik bestelde een broodje kroket, eindelijk iets anders dan noedels of loempia.
Ik vroeg de uitbater of ik even mocht telefoneren. Hij wenkte me achter de bar waar een telefoon stond. In de beduimelde Gele Gids vond ik het nummer van het Strandhotel. Ik boekte een kamer voor een week, voor mijn gevoel voor een godsvermogen. Maar goed, ik kon het lijden.
Terwijl ik stond te bellen waren de taxichauffeur en de uitbater, die het gebeuren op het perron had gezien, aan het smoezen. Daarna was de chauffeur een stuk toeschietelijker. Ik at mijn broodje kroket. Het smaakte op dat moment exotisch. Ik vroeg de chauffeur mijn bagage naar het Strandhotel te brengen. Hij keek me met grote vraagogen aan. "Waar ga jij naar toe dan Stuurman?" Ik pakte het kistje sigaren uit mijn plunjebaal, ik ga lopen zei ik. Ik moet nog even iets afgeven.
Op dat moment stopte er een militair busje, een stuk of zes adelborsten stapten uit tegelijk met de twee MP's die ik al kende. Ik nam mijn pet af en maakte een zwierige buiging naar het gezelschap. Met het kistje onder mijn arm marcheerde ik naar de Van Dishoeckstraat op weg naar Opa Portier, het gezelschap in verwarring achterlatend. Tot zover de bescherming van het uniform.
Reacties